SlimAcademy

HOOFDSTUK 4: Knorren klieven de baren

Gyas kwaroeien.

Toen Gyas werd opgericht zou er bij de nieuwe vereniging niet wezenlijk anders geroeid worden dan bij de bestaande studentenroeiverenigingen. De student, die besloot zich aan te melden bij zo'n roeivereniging, kon kiezen tussen wedstrijdroeien en fuifroeien.

Koos hij of zij voor het wedstrijdroeien, dan koos deze student voor een manier van leven, die gekenmerkt werd door een grote roei-intensiteit. Bijna elke dag een stevige outing, daarnaast conditietrainingen en een leven van strikte regelmaat; geen drank of sigaretten en op tijd het bed in. Ook het roeimateriaal kreeg veel aandacht. Afstelling van boten kostte altijd weer veel tijd, om niets aan het toeval over te laten. De kwaliteit van de bankjes, de palen en dergelijke mocht ook niets te wensen over laten. De realiteit was, gezien Gyas' financiële situatie, vaak wel anders. Als een roeier besloot om in training te gaan, werd het stoppen met roken en drinken feestelijke gevierd. Half november moest de laatste sigaret (of sigaar) worden opgestoken. In januari mocht de laatste druppel alcohol geconsumeerd worden. Overbodig te zeggen dat vooral dit laatste leidde tot uitzinnige taferelen, die het intrainingsfeest tot het meest beruchte feest van het roeiseizoen maakt. In maart begonnen de eerste, lange-afstandswedstrijden van het seizoen. Vanaf eind april volgden dan de twee kilometer wedstrijden op de bosbaan en natuurlijk ook één in Groningen, de Martini Regatta. Na een wedstrijdseizoen vol inspanning, afzien, frustratie en gloedvolle overwinningen, besloten de raceroeiers het seizoen feestelijk met het uittrainingsfeest, dat hun terugkomst in het "gewone" studenteleven inluidde.

Voor roeiers op Gyas die het wat rustiger aan wilden doen was er de mogelijkheid om te gaan fuifroeien. Bij het fuifroeien lagen de accenten op het recreatieve gedeelte en de gezelligheid, die daarbij komt kijken. Fuifroeiers organiseerden toertochten over langere afstanden en fuifroeiweekeinden. De afstanden van de toertochten varieerden van enkele tot vele tientallen kilometers. Verder roeiden ze wanneer het hen uitkwam, hoelang en hoever het hen goeddunkte. Dat voor velen de weerssituatie hierbij belangrijk was moge duidelijk zijn.

Fanatiek.

In de begindagen van Gyas bestond het aantal leden, een kleine tweehonderd, voor minstens driekwart uit fuifroeiers. De opbouw van het fuifroeibestand was zeer divers. Enkele van hen waren ex-raceroeiers die nog zeer fanatiek trainden, maar ook waren er veel fuifroeiers die hun gezicht op de vereniging niet of nauwelijks lieten zien, omdat de afstand naar het botenhuis toch wel groot bleek te zijn. De vereniging werd in deze tijd dan ook gedomineerd door een kleine groep fanatiekelingen die (soms letterlijk) dag en nacht op het botenhuis te vinden waren.

In de begintijd moesten de handen driftig uit de mouwen gestoken worden, want er viel nog genoeg te doen voor een vereniging die met niets was begonnen. Er moesten boten aangeschaft worden en er moest een botenhuis komen, waarin deze boten konden liggen. Om al deze activiteiten te bekostigen diende er geld te komen, heel wat geld. De eerste jaren van Gyas stonden in het teken van vele werkakties, bedeltochten en vele (vaak vergeefse) pogingen om diverse subsidies te verkrijgen.

Om de financiële situatie van Gyas te verbeteren werd in 1964 besloten tot de oprichting van een Groninger Studenten Roeifederatie. In samenwerking met Aegir zou geprobeerd worden om zoveel mogelijk subsidie los te krijgen van de ACLO, het universitaire sportorgaan.

In hetzelfde jaar werd de Stichting Roeibaan Eemskanaal opgericht. Deze stichting had als doel om de organisatie van de Martiniregatta te verbeteren en zodoende het voortbestaan van deze nationale wedstrijd, de enige van dat niveau in Noord-Nederland, te blijven continueren.

Novieten.

De verbondenheid van de bestuurders met de diverse studentenverenigingen was nog zeer groot. Dit blijkt o.a. uit het feit dat de eerste ledenvergaderingen beurtelings werden gehouden bij Vera, Unitas en Albertus Magnus. Ook werden de nieuwe Gyas-leden geïntroduceerd via de novietenperiode van hun studentenvereniging. Om ongeregeldheden bij het roeien te voorkomen werd Gyas dringend verzocht de novieten van de verschillende verenigingen op andere tijdstippen te introduceren.

De studentenverenigingen verklaarden zeer ingenomen te zijn met de nieuwe roeivereniging waar zij hun (potentiële) roeiers konden onderbrengen. De praeses van Albertus bijvoorbeeld verklaarde in 1964 "zeer verheugd te zijn dat Albertianen nu op het water kunnen verschijnen in de boten van AGSRV CHIAS". Op Gyas verzamelden zich roeiers afkomstig van Albertus, Unitas, Vera en Magna Pete.

Het roeien voor vrouwelijke studenten kon uitsluitend bij Gyas beoefend worden, Aegir was toen immers alleen nog voor heren. De verschillen tussen het damesroeien en het herenroeien waren in deze periode groter dan tegenwoordig. Enkele jaren voor 1964 hielden dames zich nog uitsluitend bezig met stijlroeien. Het hardroeien werd voor dames minder gepast geacht en het was dan ook gereserveerd voor de heren. In Gyas' eerste jaren waren dames zich ook al gaan toeleggen op het hardroeien, dit gebeurde landelijk vooral scullend. Op Gyas echter werd door de dames al volop aan boordroeien gedaan, iets dat later voor dames heel algemeen is geworden.

Er waren boten, die alleen door damesploegen gebruikt mochten worden. Was er geen ploeg van dit geslacht beschikbaar, dan kon de boot alsnog aan de heren worden toegewezen.

Ook buiten de boot bleven de dames en heren wat meer gescheiden dan tegenwoordig. De intrainingsmaaltijden werden vaak gescheiden gehouden; de heren verpoosden zich dan op hun sociëteit en de aanwezigheid van dames hierbij werd minder op prijs gesteld. Het feest na de maaltijd was echter wel weer gemengd. Ook kregen de dames specifieke taken toebedeeld, bijvoorbeeld het verzorgen van de zondagslunches op het botenhuis of het plaatsnemen in de befaamde breicommissie.

Martini.

Van overal vandaan werden in de begintijd zo snel mogelijk boten aangekocht of geleend. In het eerste jaar van Gyas werd er voor boten ¦ 14.202,18 uitgegeven. De vereniging was toen de trotse bezitter van een vier, een acht, een overnaadse 2+ en twee skiffs.

Aangezien Gyas nog geen botenhuis bezat, werd het nieuw aangeschafte roeimateriaal zolang ondergebracht bij de Hunze, die daartoe alle gastvrijheid verleende. Ondertussen zat men midden in het wedstrijdseizoen en moest er natuurlijk ook nog worden geroeid. De Martiniregatta van 20/21 juni 1964 was de eerste wedstrijd waarop Gyas verscheen onder haar eigen naam. Het betrof hier een mixed acht. De overige Gyasleden die de Martini verroeiden deden dit nog onder de naam van de Hunze. Jammer genoeg liet het eerste blik nog even op zich wachten.

Bouw.

Nadat bekend werd waar het botenhuis zou worden gebouwd ging men ijverig aan de slag. Op een terrein met een haventje, op de hoek van het Eemskanaal en het van Starkenborghkanaal, bracht menig Gyas-lid zijn tijd door met spitten, graven en bouwen. Ondanks al deze bouwactiviteiten waren er ook nog mensen die dat seizoen in training gingen. In 1965 werden er boten bijgekocht en werd Gyas op de wedstrijden vertegenwoordigd door twee damesachten, een herenacht en een lichte herenvier. De fuifroeiers moesten het doen met de boten die overbleven: een viertje en twee skiffs.

Head.

In dat jaar deed Gyas voor het eerst mee aan de Head in Amsterdam. De acht, die net tweedehands in Hamburg was gekocht, werd bovenop een Gado-bus naar Amsterdam vervoerd. Binnen de stadsgrenzen kreeg de bus een politie-escorte en gevuld met Gyassers in cognackleurige blazers wist de bus alle aandacht op zich te vestigen. Roeiend Nederland kreeg op de Head een nieuwe enthousiaste studentenroeivereniging te zien. Hoewel er nog geen blik werd getrokken, was het roeien op Gyas nu echt begonnen.

In de daaropvolgende jaren ging het goed met Gyas. Het ledenaantal groeide en de stellingen in het gloednieuwe botenhuis raakten gevuld met allerlei soorten boten. In 1967 werden de eerste blikken behaald: elf ploegblikken en drie bekers.

Cie-400.

In 1968 richtte men de Commissie 400 op. Deze commissie moest ervoor zorgen dat het ledenaantal bleef groeien, zodat de vereniging kon beschikken over potentiële actievelingen om de machtsstructuren van het bestaande clubje "insiders" te doorbreken. Gyas moest blijven openstaan voor nieuwe ideeën en, vooral, nieuwe roeitalenten.

Kommetje.

In 1969 was Gyas opnieuw succesvol door ook internationaal door te breken. Er werden blikken behaald in Kopenhagen en de roeisters Anita Groenewold en Ingrid Dusseldorp roeiden in een combinatieacht (Gyas-Vliet-Tachos) mee op de EK in Klagenfurt. Ingrid Dusseldorp was het jaar erna ook in de skiff zeer succesvol en behaalde op 23 augustus 1970 op de EK als enige van de Nederlandse roeiers, een zilveren medaille. In 1972 tenslotte zette zij bij de EK in Moskou de kroon op haar roeicarriere, een eerste plaats in de skiff. De gouden medaille betekende tevens het hoogtepunt in de geschiedenis van Gyas

Rond deze tijd beschikte de AGSR Gyas over een dertigtal boten, een eigen botenhuis en een kleine driehonderd leden. Ondanks de primitieve omstandigheden die er soms op en rond het botenhuis heersten voelde de Gyasser zich thuis aan het "Kommetje". Het water was ruim, het uitzicht wijds en de rust van het buitenleven weldadig. Welke roeivereniging zou er nou niet, temidden van al dat heerlijke groen, zijn stekje willen versterken en vergroten? Gyas maar al te graag, maar er waren bezwaren van de kant van Rijkswaterstaat. Dit orgaan, met wie Gyas een bizarre haat/liefde verhouding kende, had andere plannen. Gyas diende op den duur te verhuizen naar elders, want het Gyas-terrein zou worden afgegraven in verband met de sluisuitbreiding die ophanden was. Er werd veel overlegd en van alles gepland in deze jaren. Een eigen roeibaan, een gezamenlijk botenhuis met Aegir, vele mogelijkheden werden overwogen. Kwam er dan toch een intensief samenwerkingsverband tussen de Groninger roeiverenigingen? Oud-praeses Theo Rijnten verklaarde in 1969 dat iets dergelijks hem zeer goed mogelijk leek en dat hij dit idee ook heeft gehad bij de oprichting van Gyas. "In de toekomst zie ik het als volgt: Eén universitaire roeivereniging; de boten worden onderhouden door de botenbaas, het botenhuis wordt schoongemaakt door de werksters, de administratie wordt geregeld via de ACLO en voor de organisatie zorgt de praeses, een soort contactpersoon." Deze woorden uit 1969 hebben geen waarheid mogen worden. Enkele jaren later werd van deze fusieplannen definitief afgezien.

Middenweg.

Roeiend Gyas liet zich door al deze plannetjes niet van zijn sport afhouden. Ook op het roeigebied zelf gingen zich nieuwe ontwikkelingen voordoen. Gedurende de jaren dat wedstrijdroeien en fuifroeien naast elkaar hadden bestaan was de kloof tussen deze beiden soorten roeien er niet kleiner op geworden; de raceroeierij werd steeds intensiever beoefend. Raceroeiers werd al te vaak verweten dat zij "roeiden met oogkleppen op". Door hun intensieve manier van trainen zouden zij weinig menselijks meer hebben. Er was onder fuifroeiers behoefte om wedstrijden te roeien, maar om nu meteen daarvoor in training te gaan en je hele sociale leven op een laag pitje te zetten? Het idee van een alkoholverbod en andere griezelige verplichtingen schrok velen af. Stel je voor dat je studie eronder ging lijden! Daarentegen bood het fuifroeien een vrijblijvendheid, die velen als te groot ervoeren. Vele fuifroeiers kwamen zelden of nooit op de vereniging en hadden nauwelijks contacten met Gyas. Om toch nog een beetje in de behoefte te voorzien organiseerden fuifroeiers onderling wedstrijdjes. Voor deze wedstrijdjes werd door sommige fuifroeiploegjes zelfs getraind.

Regioroeien.

Niet alleen op Gyas, ook op andere roeiverenigingen bleek er behoefte te zijn aan een middenweg tussen fuifroeien en wedstrijdroeien. Overal in Nederland deed zich de roep voor om roeiwedstrijden te organiseren op een minder intensief niveau dan dat van het raceroei-gebeuren. In 1973 besloot de NORB om een regionale competitie te beginnen. Dit in navolging van andere Nederlandse regio's, die al een jaar eerder met een dergelijk project waren begonnen.

Bij de introductie van dit zogenaamde semiwedstrijdroeien speelde Gyas binnen de NORB een voortrekkersrol. Vanuit de leden van Gyas bleek er grote belangstelling voor te zijn. Ook de burgerroeiverenigingen waren wel te porren voor het idee van een regionale competitie. De studentenroeiverenigingen binnen de NORB hadden zo hun bedenkingen. Aegir, met zijn lange raceroeitraditie, deed in eerste instantie helemaal niet mee. Ook onder Gyassers zelf waren er bezwaren. Werden nu niet potentiële raceroeiers weggelokt ten gunste van dit regioroeien? Straks was er geen student meer te vinden die bereid was in training te gaan! Of deze bezwaren juist waren was niet zeker, maar in ieder geval kreeg het regioroeien al snel vaste grond onder de voeten bij Gyas. De belangstelling bleek groot want er was echt behoefte aan wedstrijdroeien "waarnaast je ook nog kon studeren".

Fuifroeiers.

In het eerste regioseizoen, 1972/1973, startte Gyas met twee damesploegen en twee herenploegen. Er werden op de wedstrijden afstanden van 500 meter afgelegd en er werd o.a. in Groningen, Nijmegen, Enschede en Deventer geroeid. Omdat in dit seizoen de tegenstand nog ontbrak werden door Gyas vele blikken getrokken. Toch bleek het fuifroeibloed zich nog vaak te manifesteren. Niet zelden zaten roeiers nog met een kater in de boot en konden ze nauwelijks stuurboord van bakboord onderscheiden of andersom. In het regioseizoen dat daarop volgde werden de zaken grondiger aangepakt. De kersverse regiocommissie besloot van het volgende uit te gaan: elke ploeg roeit zo'n twee à drie keer per week en zal zich één keer per week moeten onderwerpen aan de ACLO-conditietraining. Vooral met dit laatste bleken regioploegen het nog wel eens moeilijk te hebben.

Het verbod op alcohol en roken moest per ploeg individueel geregeld worden. Er zou worden geroeid in Groningen, Enschede (Euros), Wageningen (Argo), Nijmegen (Phocas) en Deventer (Daventria). Op de wedstrijden verroeide men twee keer een afstand van 500 meter in een C-4. De ouderejaars roeiden 1000 meter in overnaadse boten. Op de wedstrijden werden voor de dames corsages beschikbaar gesteld. Deze gewoonte, overgenomen van het wedstrijdroeien, verdween echter na enkele jaren uit het regioroeien.

Pijlers.

Door de officiële invoering van het regioroeien ontstond op Gyas het driepijlersysteem. Het roeien kon voortaan op drie verschillende niveaus worden beoefend; het fuifroeien was recreatieroeien op een vrijblijvende basis, het regioroeien was een vorm van wedstrijdroeien op een gematigd intensief niveau en voor de meest fanatieken was er het wedstrijdroeien. Na de invoering van het driepijlersysteem groeide de pijler van het regioroeien al snel uit tot de grootste van Gyas. Het invoeren van een vorm van wedstrijdroeien met een gematigde intensiteit bleek en schot in de roos te zijn geweest; na 1973 is het regioroeien ook altijd de grootste groep roeiers blijven vormen op Gyas.

Door de sterke opkomst van het regioroeien nam de belangstelling voor het fuifroeien enigszins. Fuifroeiers gingen zich toeleggen op recreatieve tochten nu het wedstrijdelement was overgeheveld naar het regioroeien. Daarnaast organiseerde men ook nog nog de gezellige fuifroeiweekeinden. In de begintijd werden deze nog wel eens samen met Aegir georganiseerd, maar deze eensgezindheid is er in de loop van de tijd afgegaan. Gyassers bleken genoeg te hebben aan zichzelf. De grote bottertochten, waarbij race-, regio-, en fuifroeiers gezamenlijk op het IJsselmeer zeilden, waren een groot succes. Fuifroeiers keken ook over de grens; zij hielden weekeinden bij bevriende roeiverenigingen in Leer en Papenburg ("Liebe Ruderinnen und Ruderer").

Kader.

De belangstelling voor het wedstrijdroeien begon na 1973 enigszins te tanen. Vele nieuwe leden op Gyas gaven er de voorkeur aan om in hun eerste jaar te gaan regioroeien. Je moest immers ook kunnen blijven studeren, nietwaar? Toen Aegir in 1974 zijn poorten opende voor dames kreeg het wedstrijdroeien op Gyas een gevoelige klap te verduren. Aegir was al eerder, in 1968/1969, opengesteld voor niet-corpsstudenten. Door deze maatregelen werden vele potentiële Gyasleden weggehouden. De dames, die tot dan toe altijd een belangrijke plaats hadden in het raceroeigebeuren op Gyas, konden nu kiezen tussen twee studentenroeiverenigingen. In de jaren, die daarop volgden, was de animo om op Gyas in training te gaan niet erg groot en waren de resultaten navenant. Coachkader was nauwelijks aanwezig en het materiaal was vrij slecht. Op de vereniging ontstond echter de drang naar vernieuwing en verbetering en er werden daarover heftige discussie gevoerd.

Roeiromantiek.

Kon er verbetering bereikt worden of was het prestige van het wedstrijdroeien sowieso al een gedane zaak? In een nota uit 1976 vroeg een werkgroep zich wanhopig af of het wedstrijdroeien nog wel redenen van bestaan had. Zou het niet beter opgegeven kunnen worden? Nadat dit serieus door hen overwogen was kwamen zij echter tot de volgende conclusie: Het wedstrijdroeien mocht op Gyas nooit verdwijnen. Het had niet slechts het recht van bestaan, maar zelfs de plicht tot bestaan: "Deze vorm van roeien is immers een bron van positieve publiciteit voor Gyas. Het wordt door haar sociaal karakter zeer gewaardeerd door de maatschappij. En welke vorm van roeien kent nog zoveel roeiromantiek; kreunende roeiers, steunend hout, heftige emoties en in volle glorie vergane achten?" Men bepleitte daarom de vorming van een breder coachkader, met meer technische kennis. Leden moesten weer geïnspireerd worden om zich met hart en ziel te wijden aan deze vorm van topsport. Het wedstrijdroeien kon niet zonder kennis en kracht. Als eerste aanzet hiertoe werd in 1976 de coachcommissie opgericht. In deze commissie zaten Willem van der Molen, Maarten Schmitz en Bas van der Meer. Deze commissie had zich als doel gesteld om "het wedstrijdroeien nieuw leven in te blazen en de kadervorming te vergroten." Dit werd gedaan door het houden van coachcursussen, het bijhouden van coachboeken en het opstellen van trainingsschema's. Door het accent meer op de techniek te leggen en niet enkel op het harde beuken, begon men een voorraad kennis op te bouwen, die vruchtbaar bleek te zijn voor de daaropvolgende jaren. De coachcommissie speelde hierin een adviserende en coördinerende rol. Zij was het centrale orgaan bij het onderling overleg en volgde trainings- en wedstrijdprestaties op de voet. Men introduceerde het voorroeien voor video-opnamen voor raceroeiers. Deze opnamen werden gemaakt in Groningen en Enschede. Dergelijke opnamen bevorderden de technische benadering van het roeien en waren bij uitstek geschikt om individuele fouten op te sporen.

Glijdende schaal.

Ook de besturen van Gyas zetten in die tijd de veranderende lijn voort. In het seizoen 1977/1978 verving men het driepijlersysteem door het systeem van de zogenaamde glijdende schaal. De roeiers zouden voortaan worden ingedeeld in fuifroeiers en wedstrijdroeiers. Bij de fuifroeiers ging het om fuif- en toerroeien en lag het accent op het recreatieve gedeelte. Bij de wedstrijdroeiers lag dat anders. Iedere roeiploeg kon en mocht voor zichzelf beslissen of zij wel of niet intensief wilde gaan trainen. Er was geen strikte scheiding meer tussen regio- en raceroeiers maar een geleidelijke overgang. Elke ploeg bepaalde zijn eigen intensiteit van inspanning, de roeiers bepaalden zelf hoeveel tijd zij in het roeien wilden steken. Aan de hand van het voorroeien kon worden bepaald welke ploeg welke boot kreeg toegewezen. De tijden die men dan roeide waren daarbij doorslaggevend, en hoe men deze tijden bereikte was van minder belang. Wanneer je als roeier wilde stoppen met roken en drinken bepaalde je dat zelf of met je ploeg en werd niet bepaald door je status, regioroeier of raceroeier zijn was niet van doorslaggevende betekenis. Door deze wijze van benadering werd het wedstrijdroeien over een breder vlak serieuzer behandeld. Het accent kwam vaker op de techniek te liggen en de kreet uit die dagen was dan ook: "Roeien doe je tussen je oren!"

Licht roeien.

Door de betere begeleiding van de coaches steeg het niveau van het wedstrijdroeien. Gyas ging weer meedoen in de top van het Nederlandse roeien. Met name gold dit voor het lichte roeien op Gyas.

Het seizoen 1978-1979 was de doorbraak voor Mans van de Vendel en Willem-Jan Sibbes in het lichte senioren A-veld, in eerste instantie in een vier met Bertram Redmeijer en Han Assen. Na de invoering van een nieuwe indeling van de klassen was het SA-veld nu het hoogste veld, dit vanwege betere aansluiting met de internationale indeling.

Een jaar later werd het grootste succesjaar van Gyas tot nu toe, met 42 blikken. Mans en Willem-Jan trokken blik na blik in de 2-, daarnaast trokken ze enkele blikken in de 4-, samen met een andere lichte twee van Gyas, Arno van Olmen en Jaap Maarse. Ze gingen in de 4- zelfs zo hard dat ze een buitenlandse uitzending verdienden naar Vichy in Frankrijk. De vloot van Gyas was helaas nog niet zo uitgebreid dat er een 4- op topniveau aanwezig was, dus moesten de heren in de toch wel erg zware Menoetes roeien. Mans en Willem-Jan mochten dat jaar voor het eerst naar de WK in de nationale lichte acht.

Clubacht.

Niet alleen bij het lichte roeien ging het goed, ook het zware roeien liep uitstekend. Een zware vier met daarin Jan-Jaap van Sluijs, Hans Zumbrink, Harry Wijnja en Han Bakker, sleepten een aantal SA-blikken binnen en behoorden daarmee op dat moment tot de nationale top.

Niet alleen bij de ouderejaars ging het goed, ook de eerstejaars lichten roeiden zeer goed. Overgangs in één jaar, dat is sindsdien niet meer voorgekomen.

Onder invloed van de glijdende schaal kreeg een damesclubacht de kans tijdens de Head en de Heineken mee te roeien in het dames beginnelingen veld en ze wonnen met grote overmacht. De dames wilden niet intraining. Ze gingen in principe alle regio-wedstrijden roeien en daarnaast nog de raceroeiwedstrijden, waarmee ze vijf blikken trokken en in één jaar overgangs werden.

Voor er gezongen kon worden aan de vlotten voor al deze ploegen moest er eerst het heringevoerde, oudste, Gyas-lied ingestudeerd worden, die in februari 1980 officieel werd. Dit lied is nog steeds de kort maar krachtige begroeting van de winnaars.

STKA.

Al met al dus een opmerkelijk jaar voor Gyas. In november 1980 werd de eerste STK-funktionaris aangesteld, namelijk Chiel Baarveld. De instelling van een Sport Technisch Kaderadviseur was een gevolg van de wens binnen de GRB om een zekere professionalisering van de wedstrijdsport te verkrijgen. Zij werden door WVC, GRB en de verenigingen betaald. Binnen de NORB was dit in eerste instantie niet gelukt, omdat het grootste deel van de aangesloten verenigingen van de NORB tegen zo'n financieel risico was. In Groningen werd de wenselijkheid van zo'n professionele kracht wel ingezien en het risico genomen. In eerste instantie werd de STK-er zowel ingezet bij raceroeiploegen als bij regioploegen, maar al na enkele jaren was het accent van de STK activiteit grotendeels komen te liggen bij het wedstrijdroeien.

Chiel Baarveld bouwde in zijn funktie van STK-er op Gyas het lichte roeiers-circus verder uit, met Mans van de Vendel en Willem-Jan Sibbes als de toppers, in de hoop dat het niveau van de andere ouderejaars lichte roeiers mee omhoog genomen zou worden. Echter na nogal wat strubbelingen bleven toch uiteindelijk alleen Mans en Willem-Jan over als de Gyas-toproeiers, onder leiding van coach Willem van de Molen. In 1980 had hij de coaching van Mans en Willem-Jan van Chiel overgenomen. Helaas, dit jaar (1981) zat er geen WK in.

Het totale aantal blikken voor Gyas was dat jaar meer dan gehalveerd. De jaren daarna klom het aantal blikken langzaam weer omhoog tot 36 in 1988. Mans en Willem-Jan bleven ook in 1983 en 1984 het grootste deel van de blikken voor Gyas trekken.

Vuile slag.

In 1982 werd hun weer ontzegd om naar de WK te gaan, omdat ze volgens de selectieperikelen van de bond op een cruciaal moment niet helemaal waar maakten wat er in zat in de 4-. De lichte nationale acht, die in viertjes langzamer ging, mocht wel naar de WK. In 1983 mochten ze dan eindelijk in de 4- naar de WK in Duisburg met Theo van der Putten (Theta) en Bart de Bruyn (Asopos de Vliet).

Ze werden vierde in plaats van het gehoopte zilver na een vuile slag bij de start. Voor Mans en Willem-Jan is het altijd jammer geweest dat de lichte 2-geen internationaal nummer is, aangezien ze hierin altijd de snelste ploeg waren, zeker op nationaal niveau.

In 1984 mocht Willem-Jan weer naar de WK, nu in Canada. Mans besteedde dat jaar de meeste tijd aan zijn afstuderen. In 1985 prolongeerden Mans en Willem-Jan hun naam, ze mochten weer naar de WK, deze keer in het Belgische Hazewinkel. Helaas belandden ze in de kleine finales. Na deze WK zette Willem-Jan voorlopig een punt achter zijn roei-carrière. Mans heeft zijn carrière hele tijd voort gezet tot in 1989 toe, alleen niet meer voor Gyas, maar voor de Laak in Den Haag.

Het principe van de glijdende schaal vervaagde in de loop van de tachtiger jaren. De eerstejaars werden een echte beschermde groep, de ouderejaars raceroeiers moesten zich wèl op een bepaalde manier bewijzen. De vraag of in principe niet-raceroeiers wel nationale wedstrijden mochten roeien, werd langzamerhand alleen een vraag voor het bestuur. De glijdende schaal trad niet meer automatisch in werking als ouderejaars niet-raceroeiers hard roeiden.

Roeimarkt.

Om de ouderejaarsregio-roeiers na de vakantie weer op Gyas te krijgen werd in 1981 voor het eerst een roeimarkt opgezet. Alle ouderejaars roeiers kregen en uitnodiging om op een bepaalde zondagmiddag in september op Gyas te komen en hun wensen voor het komende roei-jaar kenbaar te maken. De ouderejaars roeiers, die uit zichzelf niet zo snel weer na de zomer op Gyas zouden komen, werden nu weer naar het botenhuis getrokken. Op deze roeimarkt werd duidelijk een onderscheid gemaakt tussen regio- en wedstrijdroeien. Hiermee was de definitieve deling tussen ouderejaars regioroeiers en de raceroeiers een feit.

Al in november 1979 werd er aangekondigd dat er een nieuwe opzet van de regiowedstrijden zou komen. De wedstrijden werden te vol door de grote toename van regioroeiers, niet alleen op Gyas ook op de andere verenigingen binnen de NORB. Dit leverde natuurlijk stof tot discussie op. De ideeën varieerden van het opzetten van twee gelijkwaardige competities alleen op andere data, wat veel extra organisatorisch werk zou betekenen, tot het alleen toelaten van de beste regio-ploegen op de regio-wedstrijden via een interne competitie op Gyas. Deze interne competitie zou betekenen, dat het principe van de glijdende schaal zou worden doorgetrokken. Uiteindelijk werd door Chiel Baarveld, als STK-er, een voorstel gedaan in 1983 voor een nieuwe opzet. De regiowedstrijden zouden volgens een poule-systeem opgezet moeten worden. Het probleem bleef nog de indeling van de verschillende poules. Het voorstel van Chiel werd voor het grootste deel overgenomen. Alleen de voorgestelde najaarscompetitie werd niet overgenomen. Deze najaarscompetitie stuitte op weerstand, weer door het vele extra organisatorische werk voor de verenigingen. Deze poule-indeling veranderde in de loop van de jaren nog wat, echter het principe bleef hetzelfde tot in 1989 toe. Het boordroeien voornamelijk voor studenten en het scullen, voornamelijk voor de jeugdroeiers, bleef gescheiden binnen de NORB.

Deetman.

De op handen zijnde invoering van de Tweefasenstructuur van Deetman en de wat minder wordende prestaties van de raceroeiers, gecombineerd met het eeuwige probleem van het aantrekken van voldoende coaches voor alle race- en regioploegen. Discussies waren te horen over het voortbestaan van het regio- en race-roeien, met voor-en tegenstanders van het eerstejaars wedstrijdroeien of alleen maar regioroeien. Uiteindelijk bleef gewoon het wedstrijdroeien voor eerstejaars mogelijk, met voor iedereen de vrije keuze, zoals het op een echte democratische vereniging het ook zou moeten zijn.

Het fuifroeien bleef in de loop der jaren bestaan naast alle regio- en raceroeiperikelen. De fuifroeiers bleven tochten organiseren, die traditie geworden waren, zoals de Berend Botje Tocht (sinds 1986 niet meer), Sint Maarten met kaasfondue, de tocht naar Garnwerd, naar de Zuidlaarderpaardenmarkt en in de laatste jaren nog de Gasbeltocht. Daarnaast werd het initiatief ontwikkeld om elke fuifroeiploeg een tocht te laten organiseren voor alle andere fuifroeiers. Dit initiatief heeft een tijd gewerkt, maar is in de loop der jaren verdwenen.

Sinds het einde van de jaren '70 had zich een bepaalde vorm van het fuifroeien ontwikkeld, namelijk het zogenaamde restgroeproeien. Deze fuifroeiers wilden na het wedstrijdroeien of enkele jaren jaren regioroeien min of meer in ploegverband blijven roeien. Een voorwaarde voor degenen die nog wedstrijden wilden blijven roeien was en is wel dat deze roeiers zich ontfermen over andere roeiers en dus gaan coachen. De restgroeproeiers die wedstrijden wilden roeien verplichtten zich wel voor de werkactie in de bollen.

Veteranen.

Een vaste groep binnen deze vorm van fuifroeien waren de veteranen, sinds 1975. Het veteranenroeien op Gyas werd een begrip, elke zondagmiddag het tijdstip. Deze veteranengroep was essentieel voor kennisbehoud en overdracht, bijvoorbeeld in de vorm van supervisie bij race-of regioploegen.

Wedstrijden die in trek waren bij de restgroeproeiers, waren ook de 100 kilometer Ringvaartregatta, de Gyas-Hunze en de Harlingen-Terschelling sloepenrace.

Ook een tocht als de elfstedentocht werd gezien als een vorm van fuifroeien. In 1988 werd het begrip toerroeien ingevoerd, dit is de verzamelnaam voor fuif-, restgroep-, veteranen-, etc. roeien.

Twee fasen structuur.

De angst die er bestond voor de Twee Fasen Struktuur bleek niet ongegrond. In 1982 werden er minder eerstejaars lid dan in de jaren ervoor. Het aantal mensen, dat in training ging, was ook laag. Er was zelfs geen eerstejaars dames acht. Er bestond angst voor de beperking van de maximum inschrijftijd. Later bleek dat van de groep van 1982 een kleiner gedeelte lid bleef na twee jaar dan van de andere jaren. Men zag de ondergang van Gyas al voor zich. Minder tijd voor roeien, coachen, commissies en bestuur. Inderdaad er was gebrek aan coaches, vooral bij het regioroeien. Maar was dat er al niet altijd geweest?

Gedesillusioneerd.

Het fuifroeien kende dat probleem van het coachgebrek niet, door zijn unieke struktuur binnen Gyas. De eerstejaars fuifroeiers worden ingedeeld in al bestaande ploegen met ouderejaars. De eerstejaars werd het roeien geleerd door de overige ploegleden. Dan moeten deze ouderejaars natuurlijk wel gaan roeien en de eerstejaars meenemen, wat niet altijd gebeurde. Het gevolg was nogal eens dat fuifroeiers na één jaar gedesillusioneerd afhaakten. Deze structuur bleef bestaan tot nu toe, evenals de verschillende fuifroeitochten.

In het midden van de jaren tachtig was het niveau van de Gyas-raceroeiers in de breedte wat gedaald. Alleen Mans en Willem-Jan deden nog in de top mee, op nationaal en internationaal niveau. In hoeverre de brand in de oudejaarsnacht van 1984 hiervan een oorzaak was, kon niet gezegd worden. De primitieve omstandigheden van na de brand zullen zeker geen goed gedaan hebben aan de prestaties. De draad werd wel snel weer opgepakt. Iets speelruimte was ontstaan door een strenge winter, waarin de rest van Nederland ook niet kon roeien.

Hard werd er gewerkt aan verbetering van het oude botenhuis en nog harder aan de nieuwbouw.

Hoornsediep.

In 1985 had Gyas ondanks alle problemen niets te klagen over belangstelling van eerstejaars. Gyas had deze ramp van de eerste orde overleefd en hoefde eigenlijk nergens meer bang voor te zijn, dankzij de inspanningen van een groot deel van de leden. Zelfs de maatregelen van Deetman konden niet meer het einde van Gyas inluiden. Het kon alleen nog maar beter. Op naar een nieuw botenhuis en nieuwe boten. In december 1986 werd het nieuwe botenhuis aan het Hoornsediep geopend, na veel werk en inspanningen om alles voor elkaar te krijgen. De opening werd feestelijk begeleid door de doop van verschillende nieuwe boten. De gezamenlijke inspanningen hebben er misschien wel toe bijgedragen dat de prestaties sinds 1986 weer toenamen. Natuurlijk is het roeiwater op het Hoornsediep beter dan op het Eemskanaal. Minder last van de wind door de ligging van het kanaal en minder last van de scheepvaart.

Eén spelbreker was er in de jaren 1985, 1986 en 1987. De winter. In deze jaren een echte winter met harde en langdurige vorst. Het vroor zelfs zo hard dat in 1985 en 1986 de Elfstedentocht geschaatst werd, voor het eerst sinds het bestaan van Gyas. Na intrek te hebben genomen in het nieuwe botenhuis kon er drie maanden niet geroeid worden door het vele ijs. Een nare eigenschap van het Hoornsediep bleek, dat het erg lang duurde voor het ijs verdween. Gelukkig konden er regelingen getroffen worden met Aegir en de Hunze om daar wat boten te stallen. Jammer genoeg voor de meeste regioroeiers gold dit hoofdzakelijk voor de raceroeiboten. Een moeilijke tijd voor veel regioploegen. Hoe houd je een ploeg bij elkaar als je drie maanden niet kunt roeien?

BIG.

Ledenstops in de afroeiperiode zijn een normaal verschijnsel geworden. De Cie-400 had in 1988 bijna zijn uiteindelijke streven gehaald: 400 leden. Gyas is in de jaren tachtig flink gegroeid. Een nieuw botenhuis, voor een groot deel een nieuwe vloot en meer leden dan ooit, oftewel:

GYAS GROWING BIG.